Posts Tagged "Man"

Uit de kast met Arie Boomsma

Posted by on jan 6, 2011 in rubrieken, uit de kast | Reacties uitgeschakeld voor Uit de kast met Arie Boomsma

Woensdagavond het KRO-tv-programma ‘Uit de kast’ gezien? Hoe die jongen voor de camera aan tafel aan zijn vader vertelt dat hij ’op mannen valt’? De tranen sprongen me in de ogen, om de strijd van die jongen. Maar ook om die vader. Gek genoeg snap ik nu pas dat vaders met woede reageren op die mededeling van hun zoon. Voor ‘t eerst, hiervóór heb ik het nooit begrepen. En goedpraten zal ik het niet doen. Boze vaders zijn vermoedelijk vaders die kwetsbaar zijn. In de band met hun zoon of de band met hun vrouw, en daarmee kwetsbaar zijn in hun positie als man in het gezin. Laat ik met je terug gaan naar het beeld van de jongen die aan de eettafel tegenover zijn vader zit en met trillende stem zegt: ‘Ik val op mannen‘. Je ziet dat het hard aankomt bij zijn vader. Je ziet de jongen angstig, afwachtend kijken. Zal zijn vader hem verbannen of niet? Je denkt eerst ‘die vader ontploft’. Je ziet die vader flabbergasted zijn. Een ‘Nee!’ is op zijn gezicht te lezen. Gedachten razen door zijn hoofd. Hij denkt misschien: ‘Die godverdommese camera in mijn huis. Dit is een dwaling. Nee! Ik moet mijn zoon de ‘juiste‘weg wijzen. Ik ben nu machteloos’. Je ziet hem in een splitsecond zijn impulsen inhouden. Zijn diepe NEE tegen deze waarheid is van zijn gezicht af te lezen. Je ziet hem slikken. Hij kijkt in ongeloof naar zijn zoon. ZIJN zoon. Zijn kind waar hij zo vreselijk van houdt. Die net zo is als hij: ook een man. Waar hij zijn leven voor op het spel zou zetten, als het moest. Zijn naamdrager, zijn bezitsopvolger. Alles weg, in een splitsecond. Hij is zich bewust van de camera. Hij kan geen kant op met zijn emoties. Waarschijnlijk wist zijn zoon dat. En dat gaf hem de moed en de veiligheid om het hem te vertellen. Uit eigen ervaring weet ik dat daar een proces van jaren aan vooraf gegaan is. Een proces waarin je moet onderkennen dat je anders bent. Dat je die stilzwijgende vanzelfsprekendheid tussen je vader en jezelf, het idee van ’wij mannen’, hebt moeten verbreken. Dat kost een enorme inspanning. Gewoon omdat je weet dat je zo anders bent. Ik weet het zo uit eigen ervaring. Er gaat een innerlijk proces aan vooraf, een jarenlange innerlijke dialoog, dat je beseft dat je hetero-zijn een masker is. Iets dat anderen, en – onbewust- je vader het meest ,op je plakt. Gewoon omdat hij je voorgaat in het ‘man-zijn’ in je gezin. Je realiseert je dat onder je heterozoon-imago je ware ‘ik’ schuilt. Dat geeft vervreemding van je oude zelfbeeld en deels ook van je familie. Je bereidt je innerlijk voor op een soort van afscheid. Iets wat zich niet voor de ogen van deze familie zich afspeelt. Dat gebeurt van binnen. Je gaat je ’anders’ voelen. Dus het is dan ook zo vreselijk onthullend wanneer je dat masker voor de ogen van je vader aflegt. Zo ontroerend welk proces die man en die zoon in tien seconden doorgaan. Als een bliksemflits voelt vader de diepe verlating aan. En dat ook nog voor de camera. Dat laatste zou mij ook een klap in mijn gezicht zijn. Dat mijn zoon me zo weinig vertrouwt, dat hij zoveel afstand naar me moet creëren. Dat er anderen bij moeten zijn. Vreemden zelfs, dat is vervreemdend. Dat doet zo’n zeer. Heel moeilijk voor een liefhebbende vader. En zo begrijpelijk naar de jongen toe; het helpt hem enorm. Bij deze vader overheerst de liefde boven de verlating in de stilzwijgende vader-zoon...

Read More

Hartsbroeders

Posted by on dec 24, 2010 in kerstverhalen, rubrieken | Reacties uitgeschakeld voor Hartsbroeders

Het sneeuwde. De dennenrand van het woud werd witter en witter. De schemer trad al in. Alewijn en Reinart trokken hun messen dichter tegen zich aan. Alewijn, een stoere jonge vent gaat zijn hartsbroeder Reinart in alles voor. Reinart is slank en toegewijd naar Alewijn. Hij doet alles voor hem. Hun messen waren bebloed. Ze sleepten een dood dier, een reetje, achter zich aan. Ze hadden haast want de wolven begonnen alweer te huilen in het schemerduister. De jongemannen hadden het koud. Ze moesten er wel op uit, arm als ze waren. Moeder was dood. Toen ze nog leefde verdiende ze nog een aalmoes, met haar lijf. Helaas, een jaar geleden was ze door een wolf verscheurd; nota bene in hun eigen huis. Een wreed en tragisch drama. Reinart had uit angst voor ‘het donker‘ de schuurdeur ’s nachts open laten staan. Die nacht kwamen de wolven hun huis binnen, hongerig naar mensenvlees. Die bewuste nacht. Alewijn’s hart bloedde sinds die tijd. Toch wist hij zich te wapenen met stoerheid. Hij heeft het Reinart nooit kunnen vergeven. ‘De lafaard’ zegt telkens een zwarte stem in hem. De dood van hun moeder was zijn schuld. Hij verachtte en schaamde zich voor hem, maar toch kon hij niet anders dan hem liefhebben. Zijn broer, een angsthaas. Sindsdien werd Reinart door schuld en eenzaamheid verteerd. In het schemerduister komen de wolven. Wanneer ze bloed ruiken gloeien hun ogen, hangen hun bekken open en hangt hun rode tong eruit. Reinart wist dat er in het woud een oude wijze woonde. ‘Laten we oostwaarts gaan’, riep Reinart angstig. ‘Dan komen we bij de wijze!’ Maar Alewijn riep stevig: ‘Kom op, naar het westen. Daar is het nog licht‘. Ze ploegden voort door de sneeuw die steeds dikker werd. Opeens een gil. Alewijn zag Reinart oog in oog staan met een wolf. Het was een grote, oude wolf, zeker tweeënhalve meter, met glazige ogen, een ruige vacht, hoorbaar hijgend en met zijn opengesperde neusgaten vooruit. De borstkas van het geweldige beest ging heftig op en neer. Klaar voor de sprong. Alewijn verlamde, Reinart keek het roofdier strak aan. ‘Ogen neer!’, riep Alewijn. Hij wilde zijn broeder helpen, maar kon niks doen. Hij wist dat een van hun tweeën nu ten dode opgeschreven was. Dichterbij komen was zijn doodvonnis, weglopen zou de wolf naar zijn levensliefde Reinart doen gaan. Alewijn kon zelf niet anders dan met grote ogen naar de rode, lispelende tong van de wolf kijken. Langzaam kwam hij naar voren. Hij liep op de wolf af…. Het dier zwenkte zijn kop; de bloeddoorlopen ogen loerden hem aan. Het reetje lag er dood bij. ‘Gooi de ree naar hem toe‘; siste hij tegen Reinart. Reinart wist dat het dode dier te ver weg lag. Alewijn trok langzaam zijn mes uit zijn schede. Het dier loerde weer naar hem. De afstand was niet meer dan vier meter. ‘Beweeg je niet’, zei Reinart angstig, zijn hart klopte in zijn keel. ‘Ik steek ’m zo neer’, siste Alewijn. ‘Nee’, bracht Reinart uit, ‘hij bijt je hand af’. ‘Ga liggen‘, zei Reinart. ‘ben je gek geworden!”, Alewijn hapte naar adem. ‘Ga liggen’, herhaalde Reinart. Alewijn had nog nooit zo’n krachtige klank in zijn stem gehoord. Hij zakte op zijn knieën. Hij begon te bibberen. Reinart kreeg een idee: ‘Steek je mes met het heft in het hout! In de spleet van die stronk naast me. Met de punt omhoog!’ Alewijn wrikte het heft in het hout. Vlak erna liet Reinart liet zich met een kreet tegen Alewijn aan vallen. Terwijl hij viel nam het enorme dier een sprong naar...

Read More